Programma: klik hier
Voorwaardelijke kennis voor dag 2: klik hier
Deze cursus is reeds gestart met als data: Vrijdag 20 januari en donderdag 2 februari (inclusief avondprogramma) 2012
Plaats Vrijdag 20 januari 2012: Postillion Hotel Arnhem te Arnhem; Donderdag 2 februari 2012: Hotel en Congrescentrum Papendal te Arnhem
Attentie: * de vroegere basismoduul I en II zijn samengevoegd tot deel 1 van de beweegprogramma's; * bij de inschrijving voor deel 1 graag ook direct inschrijven voor een moduul van deel 2.
Thuisstudie Ter voorbereiding op de eerste dag verzoeken wij u om hoofdstuk 2 van het boek 'Over de kunst van hulpverlenen' te bestuderen en wordt hoofdstuk 5 t/m 10 van het boek 'Doen en blijven doen' (ISBN 9789031361663) als bekend verondersteld. Voor dag 2 verzoeken wij u om de inleiding bij de KNGF-beweegstandaard Beweeginterventies grondig door te lezen. Daarnaast verzoek wij u om hoofdstuk 1, 2, 3, 5 en 6 uit het boek 'Ergometrie en trainingsbegeleiding' te bestuderen en de DVD te bekijken.
Ingangsniveau Het ingangsniveau voor dag 2 is het eindniveau van de 3-daagse cursus 'Inspanningsfysiologie en oefentherapie'. Dit betekent dat de deelnemer over voldoende inspanningsfysiologische basiskennis moet beschikken en in grote lijnen de inhoud van het boek 'Inspanningsfysiologie, oefentherapie en training' (ISBN 9789031387328) kent. Dit boek is ook cursusmateriaal bij de cursus 'Inspanningsfysiologie en oefentherapie'.
Regelmatig bewegen heeft een gunstig effect op de algemene gezondheidstoestand. Lichaamsbeweging verlaagt de kans op hart- en vaatziekten, osteoporose, Diabetes Mellitus (type 2), dikke darmkanker, angst en depressie. Lichamelijke activiteit heeft een directe en een indirecte invloed op de kans op hart- en vaatziekten, en kan een gunstig effect hebben op bloeddruk, lichaamsgewicht en het profiel van vetten in het bloed. Het is echter gebleken dat een te klein deel van de Nederlandse bevolking voldoende lichamelijk actief is. Bij mensen met een chronische aandoening is dit aantal nog groter. Hierbij komt dat zijn grotere gezondheidsrisico’s lopen.
De Nederlandse overheid heeft er in 2001 voor gekozen om van het activeren van de bevolking een speerpunt te maken. De concrete plannen van de overheid in de nota “Sport, Bewegen en Gezondheid” luidden in 2001: • toename van de kennis over de Nederlandse Norm Gezond Bewegen van 0% van de bevolking in 1998 tot 50% in 2005. • afname van het aantal mensen die inactief zijn van 12% van de bevolking in 1998 tot 8% in 2010. • toename van het aantal mensen die voldoende bewegen om de gezondheid te bevorderen van 40% van de Nederlandse bevolking in 1998 tot 50% in 2010 (nota Sport, Bewegen en Gezondheid, 2001).
Op basis van de recente stijgingen in de aantallen Nederlanders die aan de beweegnormen voldoen was er in 2007 bij VWS behoefte aan een advies over een eventuele actualisering van de beleidsdoelstellingen. Hiervoor heeft VWS aan TNO en het RIVM gevraagd om gezamenlijk een advies uit te brengen over de beleidsdoelstellingen voor de periode 2007-2011. Het advies van TNO en het RIVM luidt (uitgaande van de OBiN-cijfers) dat het een realistisch en haalbaar lijkt om er naar te streven dat in 2011 70% van de Nederlandse bevolking voldoet aan de combinorm. (Ooijendijk, Chorus, Wendel-Vos, 2007).
In de afgelopen jaren is het aantal mensen dat aan de beweegnormen voldoet toegenomen. Voor een aantal subgroepen is de situatie echter aanzienlijk minder gunstig. Het stimuleren van voldoende lichaamsbeweging is vooral voor de volgende subgroepen van belang: - jeugdigen - ouderen vanaf 65 jaar - mensen met een lage opleiding - niet werkenden - mensen met een zittend beroep/studenten en scholieren - mensen die niet aan sport doen - mensen met chronische aandoeningen
De kosten die hier uit voortvloeien worden berekend op 1 miljard euro per jaar, dat is 2,5% van de totale uitgaven aan de volksgezondheid. Het activeren van mensen die onvoldoende lichamelijk actief zijn kan daarom een belangrijke bijdrage leveren aan de volksgezondheid.
Om deze gezondheidswinst te kunnen behalen is een systematische aanpak noodzakelijk. De Nederlandse overheid heeft daarom het activeren van de bevolking tot een speerpunt van haar beleid gemaakt. Deze doelstelling is alleen te behalen als alle deskundigheid op het gebied van bewegen op de meest effectieve manier wordt ingezet. Enerzijds omdat het bij de mensen in Nederland ontbreekt aan kennis over wat zij moeten doen aan lichaamsbeweging om de gezondheid te bevorderen. Anderzijds omdat bewegingsstimulering alleen tot een resultaat kan leiden als de intentie om in beweging te komen wordt omgezet in concreet (beweeg)gedrag. De fysiotherapeut kan hierin een sleutelrol vervullen. Het beïnvloeden van beweeggedrag behoort immers bij uitstek tot het domein van de fysiotherapeut.
De rol van de fysiotherapeut In de komende tijd zal preventief bewegen een belangrijke rol gaan spelen in de gezondheidszorg. Op het terrein van de preventie zijn meerdere disciplines actief. Het is daarom belangrijk dat de fysiotherapeut zich goed positioneert. De kracht van de fysiotherapeut ligt vooral in het aanbieden van een programma gericht op het structureel veranderen van het beweeggedrag van mensen. De fysiotherapeut onderscheidt zich doordat hij/zij gespecialiseerd is in het begeleiden van mensen met een verminderde belastbaarheid van het bewegingsapparaat, van chronisch zieken en van ouderen. Daarnaast is ook denkbaar dat de fysiotherapeut een coördinerende rol op zich neemt. In een intake kan de fysiotherapeut vaststellen welke mensen in aanmerking komen voor reguliere sport- en bewegingsactiviteiten, welke mensen aangepaste vormen van bewegen nodig hebben en voor welke mensen fysiotherapeutische begeleiding of therapie vereist is.
Beweegprogramma's voor mensen met chronische aandoeningen In samenwerking met diverse onderzoeksinstituten en TNO Kwaliteit van leven heeft het KNGF een vijftal beweegprogramma’s ontwikkeld voor mensen met een chronische aandoening. Doelstelling van deze programma’s is bewegingsstimulering. Het beweegprogramma richt zich naast bewegingsstimulering op het bevorderen van een actieve leefstijl. Kortom een programma dat zich positioneert als een life-style-interventie. Om het beweeggedrag van mensen te veranderen moet aansluiting worden gezocht bij de stadia die in gedrag van mensen kunnen worden onderscheiden. Ieder stadium kent zijn specifieke informatiebehoefte en deze staat los van test- of trainingsresultaten. Om goed op deze stadia in gedrag te kunnen aansluiten moet maatwerk in de informatievoorziening geleverd worden.
Waarom deel 1 en 2 van de beweegprogramma’s? Zoals gezegd gaat preventie een steeds belangrijkere rol spelen binnen de gezondheidszorg. De kracht van de fysiotherapeut ligt vooral in het aanbieden van een programma gericht op het structureel veranderen van het beweeggedrag van mensen. De fysiotherapeut kan zich onderscheiden doordat hij/zij zich gespecialiseerd heeft in het begeleiden van mensen met een verminderde belastbaarheid van het bewegingsapparaat, van mensen met een chronische aandoening/ziekte en van ouderen. Deze scholing speelt in op de benodigde kennis en vaardigheden die de fysiotherapeut hiervoor nodig heeft. De deelnemende fysiotherapeuten leren in kaart te brengen waarom mensen niet bewegen, welke onderliggende ideeën daaraan ten grondslag liggen en hoe mensen totnogtoe met hun beperkingen zijn omgegaan. Na deze analyse moet de fysiotherapeut een plan van aanpak kunnen maken om het gedrag daadwerkelijk te veranderen. Hij/zij moet informatie kunnen verstrekken en van gedachten wisselen met de cliënt over de aandoening of ziekte en de cliënt het bewegen laten ervaren.
Opzet van het onderwijs Deel 1 bestaat uit 5 dagdelen. In deel 1 komen de onderwerpen ziekte, gezondheid, gedrag en gedragsverandering aan de orde. Daarnaast worden de algemene aspecten van de intakeprocedure en de benodigde inspanningsfysiologie en trainingsleer gekoppeld aan de opzet en uitvoering van een beweegprogramma. Per doelgroep wordt er een twee- of driedaagse vervolgmoduul georganiseerd waarin de consequenties van de ziekte/aandoening voor de intake en de trainbaarheid worden belicht. Daarnaast wordt op basis van casuïstiek, en daar waar mogelijk met echte patiënten, de opzet en praktische uitvoering van het beweegprogramma geoefend.
De volgende 5 modulen binnen deel 2 zijn reeds ontwikkeld: • COPD • Diabetes Mellitus (type 2) • Coronaire hartaandoeningen • Artrose • Osteoporose.
Doel Na deel 1: • kan de cursist expliciet de doelstelling van een beweegprogramma en de rol van de fysiotherapeut hierin benoemen; • kan de cursist de persoonseigen factoren benoemen van mensen met chronische aandoeningen die belemmerend dan wel bevorderend zijn voor hun gezondheid in het algemeen en voor hun bewegend functioneren in het bijzonder, en kan hij inclusie- en exclusiecriteria op persoonsniveau benoemen voor participatie binnen de beweegprogramma’s; • kan de cursist de uitgangspunten en werkwijzen van gedragsgerelateerde strategieën benoemen die de fysiotherapeut ter beschikking staan om het beweeggedrag van mensen met chronische aandoeningen positief te beïnvloeden en hun zelfredzaamheid te helpen vergroten (binnen de grenzen van het beroepsdomein fysiotherapie); • kent de cursist het theoretisch kader voor de communicatie met mensen met een chronische aandoening en is bekend met de volgende aspecten van communicatie: het tonen van empathie, respect, acceptatie en concreetheid, het kunnen confronteren en tonen van het vermogen tot onmiddellijkheid en echtheid, ter bevordering van het beweeggedrag van mensen met een chronische aandoening; • kan de cursist de onderdelen, uitgangspunten en achterliggende filosofie van de intake benoemen en een individueel trainingsprogramma opstellen en begeleiden voor matig belastbare deelnemers aan beweegprogramma’s; • kent de cursist de inhoud en context van de binnen de beweegprogramma’s gehanteerde vragenlijst met vragen over de Nederlandse Norm Gezond Bewegen en de PAR-Q en kan hij de voor- en nadelen benoemen van een dergelijke vragenlijst; • kent de cursist de doelstellingen van de intake en kan hij de voor- en nadelen benoemen van de volgende testonderdelen: de Åstrand-test, de 6 minuten wandeltest en het meten van de huidplooidikte; • kan de cursist de opzet van de beweegprogramma’s en de relatie met de intake benoemen, de uitkomst van de intake interpreteren en koppelen aan de beschreven vaardigheden uit de moduul 'De gedragsgerelateerde benadering in het kader van beweegprogramma’s voor mensen met chronische aandoeningen'; • kan de cursist voor een individuele deelnemer de trainingsmethoden duurtraining, intervaltraining en krachttraining beschrijven en kan onderbouwde keuzes maken voor bewegingsvormen en oefenstof die gehanteerd kunnen worden bij beweegprogramma’s voor mensen die matig belastbaar zijn; • kan de cursist de trainingsmethoden en bewegingsvormen en oefenstof in de praktijk toepassen.
Docenten H.J. Bult, fysiotherapeut A.A.M. van de Goolberg, fysieke trainer L.H.A. Hagenaars, fysiotherapeut drs. G. van der Poel, inspanningsfysioloog
Kosten Euro 620,- inclusief koffie, thee, lunches, diner, het boek 'Over de kunst van hulpverlenen' (3e druk uit 2006, incl. DVD), het boek 'Ergometrie en trainingsbegeleiding' (incl. DVD), het boek 'Pijn en lijden' en een syllabus, respectievelijk Euro 560,- met NPi-kortingskaart. Voor deelnemers die al in het bezit zijn van één of meerdere boeken is de cursusprijs lager; u kunt dit aangeven bij bijzonderheden op het inschrijfformulier.
Totaal aantal contacturen 15
Totaal aantal studiebelastingsuren 19
Aantal deelnemers Minimaal 24, maximaal 32
Certificaat Bij 100% aanwezigheid wordt na afloop van de cursus een certificaat uitgereikt.
Accreditatie Deze moduul is geaccrediteerd door het KNGF (19 punten voor het register Algemeen fysiotherapeut) en door de NVFS (19 punten voor het register Sportfysiotherapeut).
Ingangsniveau en toetsen van deel 2 Voor alle modulen van deel 2 wordt een specifiek ingangsniveau gevraagd. Dit ingangsniveau wordt bij de COPD-moduul en de DM-moduul getoetst met één of meerdere zelftoets(en) via het Internet. Voor de moduul 'COPD' bevelen wij met klem het volgen van de NPi-cursus 'COPD en astma' aan.
|